Brief (108) uit Schiedam

Zo, de kou is in ieder geval uit het weer verdwenen.
Dus geen zoveelste stedentocht.
Met een gerust hart is er weer te werken.

Aan een brief als deze bijvoorbeeld.
De eerste van dit jaar.
Terwijl het toch al half februari is.

En daar we het toch over het weer hebben:

Als er nu een koe te water raakt, hoeveel eerder zal het beest
doodgaan nu het water nog wel een tijdje ijzig koud heeft te zijn.

Een schaap mag natuurlijk ook.
Een mens wordt al wat minder.

Hoewel Geert en afkoeling, de winter zou in ieder geval, nu de
stedentocht niet doorgaat, niet voor niets zo stevig gewinterd
hebben. Niet dat Geert hetzelfde lot als de koe van dat sneller
doodgaan hoeft te ondergaan, nee, maar hem een  beetje kou 
zoals die op een van de Polen heerst laten beleven, het kan zo-
maar een heel gaaf hulpje zijn het vreemde concept van vrijheid
dat hij onder zijn buitensporig begroeide schedel beleeft een iet-
wat fris bij te stellen. Het zou van zijn winter een mooie zomer
maken. Rutte zou het wel zo zonnig vinden gebeurde dat bijstel-
len zonder er wat van te hoeven zeggen, want ook hij staat in-
middels stevig aan de rand van de nog ijskoude sloot. Een ril-
positie waar de oppositie vreugde van op de horizon gaat zien,
ze trekken in ieder geval lekker stevig aan de panden van Rut-
tes leidersjasje en trachten hem dichter naar de rand van de
sloot te manouvreren. Rutte rilt al licht in zijn gedoogafhanke-
lijke positie, maar de panden van zijn jasje houden vooralsnog
stand in hun stevige stiksels, geen enkele breuk geven ze voor-
alsnog toe.

Goed, dit wat betreft de toestand van al de wereld Nederland.

Nu even over heel de wereld Schiedam, want nog altijd zonder
officiële burgemeester dit stadje omdat vrouwe Verver eruit is
gebonjourd vanwege vermeende malversaties op het gebied
van financiële privélekkernijen. Het blondmeidje is inmiddels
weer half en half gerehabiliteerd en zal een door de gemeente
op te hoesten vette zak geld kunnen gaan besteden aan haar
o zo geknakte leventje. Geknakt! Ja heus, want ze mag niet als
hoofd van de stad terugkeren. Of hier de winter ook zomers
zal gaan schijnen wil nog de vraag zijn, de gemeente namelijk
heeft al zoveel schulden dat die Ververse zak geld mogelijk wel
eens over de ruggen van de armsten van de stad naar boven
gehaald heeft te moeten worden. De eerste tekenen zijn er al,
waar de armen in het verleden ongeveer twee maal driehonderd
euro als extra ondersteuning ter draging van hun armoei kregen
is er zowaar dit jaar al de helft van afgesnoept.

Het geeft toch als het ware te denken.

Met Europa gaat het overigens ook wel kek slootwaarts zo lijkt het.
Nog even en de oude dame mag naar de gaarkeuken marcheren.
Nee, hier is de zomerse winter nog meer stevige kilometers weg
mogen we alle helse berichten die werkelijk als een tsunami aan-
stormen geloven:

Griekenland treur / Italië treur / Spanje treur / Frankrijk treur / Portu-
gal treur en en en en en en en en en en en en en en en en en en… 

Godver!

Aldus een positief gedicht ter opleuking van zoveel alomse treur:

Romanke .9

liederlijk
bulkt een boek uit de boekenkast

lente
zingt een ander geschrift

onzin
zo ook lepelt er tussen wat kaften uit

over de tafel een tekening
daarop bedreven mieren
getekend in een naïve stijl

ik eet een Berliner bol

Jezus hangt cosy aan het kruis boven de deur

o een paar sluike dijen nu
en ja ook de thee al koud

zeeslagen
lonkt een paperback

uit mijn geschiedenis pulk ik een moment

verrijking op het lek
sijpelt er onverstoorbaar uit een bundel essays

op het raam druppelt mooi weer
de gordijnen dik doende zich te

verzwijgen

weg in eigen zolder
fluistert een dun fraai glanzend anthologietje

de op het vel
getekende mieren

ze woelen

lessen in lyriek
zwijmelt W. Bronzwaer naast een boek over Hitler

Werner Spaland

Naar brief 1 (scrollen)

Brief (107) uit Schiedam

 

Wist u dat lezen een boek verandert?

 Ik niet.

 Ja, wel op de gebruikelijke wijze zoals vlek-
ken, ezelsoren, scheuren, vingerafdrukken,
aantekeningen etc.

Maar niet zoals waarop ik hier doel.

Op een schone dag namelijk wilde ik een
boek (Gewassen vlees) dat ik geleend had
van een bevriend stel als dank voor dat
lenen laten signeren door de maker van het
boek die in een Schiedamse boekhandel
zijn nieuwste bevalling (Publieke werken)
kwam promoten.

 Het was als gezegd een heel schone dag
dus midden in de zaak zat de schrijver ach-
ter een klein tafeltje waarop het nieuwe boek
lag uitgestald te wachten op mogelijke ver-
langens in lezers het boek te kopen en te
laten signeren. Op het moment dat ik binnen-
kwam was het nogal stil in de zaak (geen
idee of de rest van de dag het publiek storm
liep) dus kon ik direct op het tafeltje aan-
schuifelen om het desbetreffende boek te
laten signeren.

De schrijver wilde dat wel, signeren, al was
het dan niet zijn nieuwste boek. Alvorens
hiertoe over te gaan pakte hij een nieuw ex-
emplaar van Gewassen vlees dat ook op de
tafel lag en legde het pal tegen het door mij
meegebrachte exemplaar. Ik begon hem al
te verdenken van signeeronwilligheid. Maar
nee, hij keek naar beide boeken, gleed met
zijn linkerhand over de kaften, knikte en be-
gon het geleende boek open te slaan om het
te signeren nadat hij het nieuwe boek terug
had gelegd naast de stapel van zijn nieuwste
boek.

Waarom ie dat deed, zo wilde ik wel weten.

Zo kan ik zien of het boek een of meer keer
gelezen is zei de schrijver, een gelezen ex-
emplaar is namelijk veel dikker dan een on-
gelezen. Kijk maar. Hij pakte het ongelezen
exemplaar weer terug en toonde het ritueel
opnieuw. En inderdaad mijn leenexemplaar
torende een paar milimeter verder naar het
plafond dan het nieuwe boek.

Nooit geweten.

Trouwens, nu ik er zo over bezig ben valt in
het kielzog van het Rosenboomweetje heel
makkelijk te verklaren waarom de Bijbel de
beste bestseller is in al de wereld. Ha zoveel
lezers, dikker kan een boek wel niet worden!

De schrijver kan mooi blijven meten, maar zijn
boeken zullen het altijd verliezen van de Bijbel.

En zo komt het geheel van aarde en heelal als
vanouds weer helemaal op Zijn pootjes terecht. 

 Werner Spaland

Naar brief 1 (scrollen)

Brief (106) uit Schiedam

 Het schijnt zomer te moeten zijn! Gelukkig heeft het
weer heel andere ideeën over hoe het Nederlandplek-
je te verwennen met vetnatte grillen. Het lijkt namelijk
wel dik in de herfst buiten het raam van mijn werkhok.
En dus een kranig goede reden,  althans wat mij be-
treft, om het over kunst te hebben. Want zie nu toch
eens hoe AdriaanKrabbendam onlangs bij een plaatjeKlbew P1000844
van dit werk (SCHEPPING) op face-book schreef 
dat hij de schep wel begreep, maar de ping?

Het antwoord was dat de keramiekletters op de
schep komen uit 11 x het woord Godverdomme
en 11 x het woord Amen en zo dus heel wel de
ping op de schep hebben te zijn.

Krabbendam vond dit wel leuk onder het leukknopje.

Maar er wil meer:

Zo is te berekenen dat er (11 x godverdomme = 121
letters + 11 x amen = 44 letters) 165 letters op de
schep liggen. Big deal zou je, zoals Krabbendam,
nu denken. Echter, als je de cijfers van het getal 165
bij elkaar optelt krijg je het getal 12. Tel je de 1 en de
2 ook weer bij elkaar op krijg je het getal 3.

En drie is als bekend een getal dat in het humane
gedoe leidt naar gedonder; zet twee mensen bij el-
kaar en er is zowaar een tikje harmonie mogelijk,
zet drie of meer mensen bij elkaar en het is hét
model voor conflict en alle mogelijke daaruit voort-
komende kwaad.

Nu wil het geval dat er ook een heilige drie-eenheid 
(vader, zoon, heiige geest) is volgens de B??bel.
Gezien het voorgaande in deze brief (alsook de ge-
schiedenis) is het dan nog maar een kwestietje van
op je klompen natellen waar het altijd maar weer op
uitdraait gezien ook nog eens de vadermoord (God
schiep ons toch zeker naar zijn evenbeeld?) die zo
eeuwig en ook zo erg op de schouders van zonen
drukt. Overigens is het deze Zoon aardig gelukt, die
vadermoord, zie al zijn pr-kruisbeelden overal aan
muren in de hele wereld. En de heilige Geest beziet
dit alles op zijn nootjes van waarheidszang waarvan
de Vader mogelijk dan weer vindt dat ze heel beslist
en hemeldik niet in Zijn paradijslijk liedje thuishoren.
Kortom, er is zo maar te stellen dat het getal drie in
dezen een onnoemelijk hemeltergend getal is te zijn.

En extra: amen en godverdomme liggen ook heel
dicht bij elkaar in het grote verhaal. Amen betekent
berusting, godverdomme betekent verzet zo mogen
we toch wel beweren. Hier hoeft het getal drie niet
eens bij op te komen draven om de hele boel aan
het krakélen te brengen. Hoewel! Tel je de letters
van beide woorden op en deel je de som ervan door
2 dan is er ook hier weer de uitkomst van… Precies.

Kijk ook nog even uit hoeveel elementen het werk
zelf bestaat (hout, metaal, gebakken klei) en er is 
geen enkel hemels speldje met alle liefde meer tus-
sen het getal drie te wrikken.

Een puik kunstwerkje dus?

U, kerkelijk of onkerkelijk, u mag het zeggen.

Wel lijkt het me mooi om het een poosje in een
kerk te laten hangen.

Zonder de bovenstaande theorietjes uiteraard!

In de kerk van Watou volgend jaar?

Werner Spaland

Naar brief 1 (scrollen)

Brief (105) uit Schiedam

De wereld is een brosbak of iets dergelijks volgens een
onbekende uitspraak ooit uit een of ander schrijfbrein-
tje ontsproten en hier maar weer eens naar boven ge-
haald, want er is onveiligheid, beroerd veel onveiligheid.

En wel in ons land.

Dit tenminste wordt al tijden extraplus op de leurdoos of
bij ieder politiek minuutje en met een extra tandje erbij
in verkiezingstijd uit zwaar bedrukt gezicht gegooid alsof
zo’n gezicht na aan die onveiligheid is ontkomen al waar-
bij noodnodig een kwak denkbeeldige wolken zich in op-
perlust samenklauwt boven het hoofd van de spreker om
de woorden vooral die basis te geven waar heel de wereld
Nederland niet mooi even omheen kan. Waarlijk, nog wat
langer zo doorgaan en we wonen binnen niet al te vette
tijd weer in holen zonder deuren zodat de knots weer de
sleutel wordt tot samenleven. O, er moet beslist iets aan
gedaan, daar is de hele samenleving het stevig over eens,
want om even rap naar het niveau van Neanderthalers te-
rug te keren het is de b-gezichten een gruwel, bijna nog
erger dan de hel zo steekt het met de neus uit hun sche-
del, zoveel onveiligheid daar is ja even erg bar niet mee
te leven.

Heus, vinger in de dijk.

Geen onvertogen woord van mij hiertegen hoor, ik ben
wat dat betreft al een van de bangste burgers van Ne-
derland. Al wil het geval wél dat ik redelijk wat rondtrap-
pel over deze wereld, ik loop vaak helemaal de straat
uit waar ik woon, fiets me met dit mooie weer gewoon-
weg tot een potentiële winnaar op het plan van beroeps-
renners, ik rijd per auto van wijk naar wijk, van dorp naar
dorp, van stad naar stad, neem soms zelfs metro, trein
of bus. Zowaar ik doe, ondanks mijn angst, mijn puikste
best alle onveiligheid te ondergaan zo allerkwistig rond-
gezegd door genoemde bestuursgezichten. Mooier nog,
ik gedraag me al een fiks tijdje als een extra potentiëel
slachtoffer door zo nors mogelijk te doen tegen een ie-
der die het niet ondergaan wil. Maar zie, het is me nog
geen seconde gelukt een schriktel aan zware onveilig-
heid te ervaren in real live. Verdomd ik doe er zogezegd
heel mijn vaderlandslievende best voor, maar heus eer-
lijk echt en helemaal waar, van veel niets naar nog meer
nothing tot nu toe.

Wellicht woon ik op de verkeerde plek,in de verkeerde
wijk, in de verkeerde stad, of woon ik zelfs in het ver-
keerde land. Al zullen de onder-de-wolkers dit uiteraard
direct tegenspreken. In dit land is het heus wél onveilig
zo blijft er verkondigd. En geef ze eens ongelijk. Zo hier
en daar tussen klomp en wiekje door wat zwarte tulpen
planten, het is een must voor heel het bestuurlijke oog.
Overigens is de schotel waarop de zwarte tulpen worden
opgediend niet zo heet als in de oven tijdens het garen,
want beleef in alle vrolijkheid maar eens hoe de puik
rondwarende onveiligheidsgeluiden kliederig in tegen-
spraak zijn met het feit dat er op defensie lekker straf
bezuinigd wil gaan worden (wil, want de kogel staat in
de loop van het kanon, het kreunen namelijk vanuit het
kader van de bijna nooit-schiet-meneren is niet van de
vredeslucht sinds het bericht van nog wat meer korting)
en…

Iets meer had ik er nog over willen zeggen, maar wat
blijkt nu? Deze hele brief, gisteren begonnen, is voor de
kat haar ondertussen geschreven, want alle onveiligheid
en kanonbezuinigingen, het zijn problemen die al bijna
in een klap zijn opgelost. Het grote Amerika namelijk
heeft de hele erge terrorist Bin Laden naar de almacht-
ige Allah geschoten zo vertellen vele heilsberichten die
oerend rap na de dodelijke daad de wereld werden in-
geslingerd en uiteraard ook oerend werden verwelkomd
middels een gejuich alsof de wereld opnieuw is geschap-
en, maar nu door Amerika.

Verdomd, geen enkel woordje heb ik nu, dit nieuws is
te vers om, wat mij betreft, er in fermdikke of fijndunne
toonaarden op te reageren. Hier past gewoonweg even
wat briefelijk zwijgen.

Sluit ik maar af met een gedichtje.

Literatuur en dus altijd wel kunnend tof.

Romanke .4

onder de deurmat wonen
veel spinnen. vader spin is
al eens buitengezet. netjes.

vader spin zag verdwaasd
toen om zich heen leerde
van warrige schreden drab.

droef na de uitzet wandelde
vader spin terug naar de
rand van de mat waar hij
zich lang al te wonen wist.

op de straat deden mensen
mensen. gevoelig als waren
ze nogal voor alles mogelijk.

ergens in veel tuin speelde
een hardhouten staaf voor
tuinkabouter als hoofd van
een gave ti ta straaldevisie.

voor haar computer zat een
vrouw een gedicht te lezen,
bedacht na de schermtuur:

als existentiële bergdalen
naar de wolken vallen dan
zal mijn sterrenstelsel wel
triljoenen wensen opdoen.

tegen de gevel van haar huis
stond een fiets prettig met
een lekke band er ging niet
gegaan naar al overkomen.

de staaf van de straaldivisie
liet een wondernagel op stel
aanbrengen opdat het hoofd
kon blijven tot aan de dood.

in ‘t zicht van een ijsfabriek
sprak haar bouwvakker een
steen aan met de woorden
mijn leven jij harde donder.

de mat is nooit meer geklopt
vader spin was vol tevreden
liet familie uit het naburige
huis overkomen tot feesten.

ook de tuin deed weer mee.

Werner Spaland 

Naar brief 1 (scrollen)

Brief (104) uit Schiedam

 

20 maart 2011.

 En het was er weer.

 De boekenweekknaller dat er gratis gereisd kon met de
trein middels het ook al ‘gratis’ boekenweekgeschenk,
ditmaal van Kader Abdolah, de man die de algrootste
schrijver van Nederland en daarna van de wereld wel wil
worden. En gelijk heeft ie natuurlijk, willen worden mag
gewoonweg altijd, heus ook wel in ’t Calvijne Nederland. 

 Wij, vriendin S en ik, besloten de b-knaller te gebruiken
om naar de tentoonstelling Edge van het werk Katinka -
Lampe
te gaan in Maasstricht. In het verleden moesten
we al eens een uitnodiging voor de opening van een ten-
toonstelling van haar werk afzeggen. Een uitnodiging
overigens die we kregen als gevolg van het poëzieplein-
postergebeuren
waaraan zij via haar zus (Astrid koos
voor een schilderij van Katinka als achtergrond voor het
gedicht – zie link hieronder gegeven) tot onze vreugde
wilde meewerken.

 Maasstricht dus!

En ook lekker vet ver! Want zo’n gelegenheid van gratis
reizen zal heel wel tot op de welige bodem uitgemolken.

2,5 uur reizen!

We bespaarden zowaar bijna honderd!!! euro en we wild-
en, zoals gezegd, toch lang al naar het werk van Katinka
Lampe gaan kijken.

Maar dat vet en ver uitmelken, het was niet alleen ons
gegeven. Half Nederland was op ‘wonderbaarlijke’ wijze
op dezelfde gedachte gekomen. En zo drukte de trein
naar het Limburgse zwaar op de rails, schommelde het
ding alsof het een kermisatractie was, en je mocht als 
passagier van een enorm geluk spreken als je op een
van de vele in de trein geplaatste zittingen broodnodig
kon neerzijgen om daarop de komende 2,5 uur aan rei-
zen te ondergaan.

Maar gratis, dus blijvend opgetogen.

Op de zittingen van de toch nog veroverde zitplaatsen
kwam van het voorgenomen lekker lezen mooi geen
fluit. Wel eens in een overvolle hobbeldewobbel ker-
misatractie geprobeerd een simpel reclamefoldertje
van een begrafenisonderneming of zoiets te lezen?
Kader Abdolah bleef bij ons en bij alle reizigers strak
in zak of tas gestoken. Alleen op het beleven dat de
conducteur in aantocht kwam werden de kraaiboekjes
een kort moment tevoorschijn gedoken ter toning dat
men echt niet illegaal in de trein verbleef.

Ook onze boekjes.

Al duurde bij ons ‘t moment een stootje langer omdat
we al een paar jaar de ongewone, zo blijkt ieder jaar
weer, gewoonte hebben om de conducteur te vragen
of hij onze boekjes wil afstempelen. Eerst is er dan
de onwennige verbazing op het gezicht boven het u-
niform. Dan komt er een uitdrukking die past bij de
vermoedelijke gedachte dat men klantvriendelijk be-
hoort te zijn. Vervolgens wordt er heel ergens op de
bodem van de werktas gezocht naar een vermoedde
stempel mogelijk toch nog daar en zo krijgen we ha!
altijd wel ons stempeltje. Al een kleine serie boeken-
weekgeschenken bestaat er zo, braaf gesigneerd door
het treinbedrijf. Ook ditmaal ging het op deze manier.
Echter, de medereizigers om ons heen zagen het ritu-
eel, wilden plots ook allemaal wel zo’n signeerstemp-
eltje in hun kraaiboekje. En zo verwerden wij, vriendin
s en ik, literaar gezien daar in de trein vermoedelijk 
tot trendsetters. Toegegeven, wel een tikje sultrend-
je en aldus ook niet iets om snoevend over naar huis
te schrijven.

Overigens had ik, de man van wij, het boekje van
Abdolah thuis al gelezen, en eh eh en dus aan de
hand van dit boekje (ander werk van K las ik waar-
lijk in het geheel nog niet); Kader, lieve meneer,
men zegt nogal eens dat om een algrootste te
worden, daar moet een mens torment gesproken 
veelal wel effe het vele van het een en nog meer
van het ander voor doen. Maar dat is torment hé.
En dan, waar een wil is is een weg, jajazeker, dat
zegt ook een Nederlands spreekwoord en Dikker-
tje Dap zoefde toch ook effe mooi van de lange 
giraffenhals, al was het zowaar wel naar beneden.

Er werd, zo zonder dat lezen, veel gekletst in de
tot kermisatractie verworden trein; was men jong
(weinigen) dan ging het over anderen, was men
middelbaar (velen) ging het over anderen, was
men bejaard (ook velen) ging het over anderen,
was men alleen dan ging het per mobieltje over
anderen. Ook de meegesleepte kinderen waren
vol van zichzelf, alleen zij maakten zonder het
te beseffen en zonder klets over anderen lekker
wat lawaai VOOR anderen en buiten was het ook
al geen vetpot wat de wereld betreft, een kermis
onwaardig werden weilanden (met of zonder koei-
en) afgewisseld door huizen van dorpen of steden,
tenminste in zoverre het mogelijk was je daarop
te concentreren want het lippenwerk over het de-
bunken van de soort deed de overtoon aan kwel-
geluid toch wel aanvoeren in de treincoupe waarin
wij zaten. En Kader Abdolah maar schrijven in dat
Nederlandse voor hem veel te kleine taalgebied-
taaltje. 

Hoe wij aan de Kadergeschenkjes gekomen zijn?

Vorige week vrijdag na een ziekenhuisbezoekje in
de vroege morgen per metro naar Donner getogen
om daar de zo gratis geschenkjes te bemachtigen
via de koop van wat andere boekwerkjes. Welnu,
op de bovenverdieping is al jaren de heerlijke af-
deling waar gedeukte gekneusde en wat dies meer
zij boeken worden verkocht voor redelijk afgeno-
men prijsjes (deukjes / kneuzingen die het lees-
werk geenzins schaden), al tijden verwerven we
daar boeken voor veelal de helft van de prijs die
men normaal voor een vers boek betaalt, het eni-
ge maar makkelijk te overwinnen nadeel is dat er
op de snede van deze boeken een zwarte viltstift-
streep is gezet. Zo kochten we er oa Kleine door-
schijn
ende man van Erik Jan Harmens, alzo kochten
we er Het verraad van de tekst van Arnon Grunberg,
maar ook voor vette nieuwprijzen de dichtbundels
Gratis tijd voor iedereen van Alexis de Rode en de
bundel Eiland berg gletsjer van Anne Vegter alsook
het prive-domeinboek Dienstreizen van een thuisblij-
ver
 en nog wat ander brilverwerkspul zodat die uit-
gespaarde honderd euro, hierboven zo smikkelend
genoemd, mooi wel uitgegeven is aan deze boeken
en het gratis reizen zowaar op heus als een strak
eigen-doos-sigaartje mocht beleefd,,,, uiteindelijk. 

En hoe de in Maasstricht getoonde werken (portret-
ten) van Katinka Lampe zijn? Laat het zo zijn ge-
zegd, wij hebben ondanks de proptrein geen spijt
van deze ‘gratis’ onderneming en mogen daarbij
zeker stellen dat een schilderij van Katinka Lampe
met een gedicht van zus Astrid met alle glunder van 
beleef in deez’ wereld in het door ons veroorzaakte
poëziepleingebeuren mocht opgenomen.

Werner Spaland

Brief (103) uit Schiedam

In de vorige brief leek het of ik de poëzie uit de bundel Geachte
muizenpoot en achttien
andere gedichten van F. Harmsen van Beek 
blubber op blad vind. Nee dus. Hoewel er onder de schedel geen
vuurbakens spontaan gingen ontbranden tijdens het lezen van
Van beeks gedichten wil de laatste brief alleen maar zo zijn ge-
schreven omdat poëzie blijkbaar zonder gegronde reden uit be-
treffende bibliotheek wordt geflikkerd. Ik namelijk verwoordde,
toegegeven op een geheel eigen wijze, een door mij vermoedde 
oorzaak waarom onderhavige dichtbundel uit de collectie van de 
Maastrichtse bibliotheek is gegooid. Namelijk: een naar warrig
neigend werkje hier in huis en niemand leent het dus opdoeken
die handel. Een legitiem vermoeden wat mij betreft, want gebrek
aan ruimte lijkt me in dezen geen argument, dunner kan een
bundel nauwelijks zijn.

Bar! 

Een veelwerf bar ja, dat mogelijk voor de keuze aan leesvoer
binnen de muren van bibliotheken funest wil gaan zijn op den
duur. Is er voor gulzige lezers uiteindelijk alleen nog de Do-
nald Duck te vinden. Of iets dergelijks als de bijbel nog net
wellicht. En daar krijg je toch de drek van in de laarzen. Een
bundel van bij voorbeeld Tonnus Oosterhoff, een bundel van
Arjen Duinker, een bundel van Astrid Lampe, weinig tot geen
enkele kans, zo mag aangenomen, maken ze bij een biblio-
theek die zo’n relatief gezien eenvoudige bundel als dat van 
Harmsen van Beek uit de collectie frommelt.

Te bar dus zo bedoelde de brief te zijn.

Dit vuiltje uit de wereld geklaard hebbende ga ik snel over
naar het in schrijversland zo verfoeide navelgebiedje. Want
wat wil het geval? Ik ben loodverkouden. Mijn neus druipt
alsof ie er een diploma voor heeft behaald. Mijn longen ver-
loren hun elasticiteit al dagen geleden, een soort bedompt
gerochel produceren ze nog en dat uiteraard met veel pijn
in vermoeide moeite. De ogen drijven in bakken water waar
nog geen secretarisvogel zich in zou willen wentelen. Mijn
hoofd suist alsof het hele heelal er in is doodgeslagen. Het
mooiste boek lijkt me nu een vod in nauwelijks twee dagen
geschreven. Pauw en Witteman komen me voor als twee
mannetjes die een uur mogen volkletsen met volkletsen
zonder ook maar de kleinste aankomst op oever of kade
te bewerkstelligen, al te loos drabbelt hun rubbergeklets
mijn door verkoudheid tot totaalfrommel neigende oren in.

Alleen sport is er nu nog te verdragen.

Liefst voetbal.

Géén praatprogramma’s over voetbal!

Jack van Gelder. Brrr.

Smeets, dat kan nog net in mijn volle verkoudheidsgolf, maar
een dichtbundel bijvoorbeeld is weer uit den boze. Dan liever
de presentator van DWDD. Vooral zijn inleidinkjes tot gesprek-
ken zijn puik. De te interviewen gasten worden erin neergezet
alsof ze wereldwonderen hebben verricht veelal. Je ziet ze, de
gasten, meestal, tenminste als ze een beetje bij leef zijn, bij
zulke woorden ineenkrimpen tot beduimelde velzakjes die het
liefst zo snel mogelijk willen opgepakt om naar naar elders te
worden verplaatst.

Wel kneuk voor m’n slijmpiepende lichaam was het te zien dat
Wilders tijdens de campagne tot de bejaarden moest afdalen
met een glimlach vol lievigheden. Zelfs bij Max is ie geweest
als ik het in mijn verkouden lijf nog allemaal wel heb want er
zweeft zoals gezegd een stevig zweempotje koorts door mijn
bouwwerk. Bejaarden paaien met een geboetseerde glimlach,
het is natuurlijk ver beneden zijn scheefmatje gezien dat glim-
lachje, maar het leverde hem wel een kek winstje op. Rutte
kon er zijn ingehouden triomfroep nauwelijks van binnenhoud-
en. 

Ook op mijn benen hoef ik al dagen niet te rekenen, die lijken
de kunst van het lopen vergeten, van schoenen of sloffen onder
de pijp zijn ze al helemaal vervreemd. En zielig hé dat net niet
van de verkiezingen voor Job en zijn oppositoos. Maar de bal is
rond zo pleegt men bij teleurzuchtgelegenheden veelal te zeg-
gen. Dus the came is still on. En toch, Sap en Roemer, ik weet
het niet. Het lijkt wel of ze in een speeltuin zijn toegelaten waar-
van ze de kille achterkanten van de speeltuigen nog niet geheel
en al kennen, fris en onbevangen speelden ze er op los tijdens
de campagne. Het resulteerde in een teennageltje erbij voor
Groen Links en een stevige kalknagel eraf voor de SP. En dit
algedoe van de politiek stroomt gewoon maar onbedaard over
mijn zieke lijf. Maar goed, over lichaamsellende is nu wel ge-
noeg gezegd en over neuken ben je ook zo uitgepraat, die drie
minuten ellenlang weergeven, het is zowaar als midden in een
flink uitpakkende zomer een magere sneeuwman maandenlang
op een weiland verplichten te overleven.

 Dan maar, als allerlaagste keus, aan de dichterij.

Een vers kleumt altijd wel.

Het eerste wat na het bovenstaande me ter opzang te binnen
schiet is het woord africhten. En daaruit is dan, mede ook na-
mens het onderwerp neuken van hierboven, te concluderen dat
het een lekker gevoelsgedicht gaat worden. Een vers in prach-
tige woorden. Een gesublimeerde neukpartij wellicht zelfs, als
compensatie voor al het stemverleidgedoe van de laatste dagen
waarin de werkelijkheid ook al zo zoek was veelal. 

Ha, ik ga gelijk loos met de mij ook al plots te binnenschieten-
de titel Romanke .1, de rest volgt dan als vanzelf zoals hier-
onder zal worden bewezen:

Het begon pas echt nadat ik met een hamer de
pootjes van de kat aan gort had geslagen. Tot
dan toe had het geen enk
ele kans gehad. Mijn
leven. 

Dus liet ik de kop van de hamer na de daad om-
smeden tot een brede band. Om 
de pols te dragen.
Mijn pols.

Drie dagen na de polsband zat ik in het gevang.
Al 
heeft dit geen enkel belang voor mijn leven. 
Een weekje later werd ik weer vrijgelaten. Men
had zich vergist.

Uit het gevang wilde ik diep.

Eens danig onder de zeespiegel rondsnorkelen
leek me het juiste begin daartoe. Groots en vrij
zogezegd. Twee drie decimeter. Dieper kwam ik
niet.
En dat vrije bleef dus ontstellend weg met
zo’n luchtcilin
der op je rug. De vissen ook kul.

Dan maar even een straat beleven in een iele
auto. Rood met
witte stippen. Maar spillebenen
had ik al uit het
water in de lucht zo leek mij de
logische volgor
de.

Ik bouwde een vliegtuig.

Omdat er geen rem op zat werd dat ook niks
volgens de verkeers
leiders. Ze wezen naar
beneden. Daar hing een fiets op slot tegen
de rechterflank van een gestolen paard. Een
oude man aaide de fiets en
 liet de fiets on-
gemoeid. Het paard
gooide de fiets van zich
af. De oude man
liep door want een meisje in
een minirok keek alsof ze beslist niet geaaid
wilde worden. De stof gaf haar hele heuplijf
vol
doende ruimte.

Later dronk ze thee.
Met uitzicht op opa.

Beetje hongerig stap je dan maar een patat-
zaak binnen en
koopt er een hele koe. Dat
wilde ik. Ze
hadden alleen nog een koe in
stukjes. Brood
je kroket dan maar. We kun-
nen er wel een
bestellen. Maar dat hoefde
voor mij niet. En
een meisje had ik ook nog
niet gehad zo
zonder echt begin. Aldus ver-
dronk er in het kanaal een vis. Het dier was
niet geleerd hoe kieuwen werken. De burge-
meester (ook van het kanaal) sprak de hoop
uit dat dit niet heel veel vaker ging gebeuren;
Je
zus had al eens iets met vissen uitgehaald. 

Terug naar moeder. Geen optie. Ik zag haar
al staan met die manke kat in haar hand
en.

Achter het burau stond een lege stoel. De
secretaresse en de stoelzitter waren gaan

lunchen. De telefoon rinkelde niet en op
straat speelde een mier met de gedachte
een klinklare hoop te ontwerpen. Van tussen
de
naden van de tegels verzamelde hij ge-
likte korrels
zand. 

In de fabriek maakten ze lepeltjes. 

Ik moest toch wat.

Toen ik mijn huis niet meer uit kon vanwege
de lepeltjes volgde ontslag want het
gevang
had ik al gehad. D
e lucht kreeg een eigenaar-
dige gele kleur. Net
of van Gogh tegen een
onnoemelijk hoge ladder op was
geklommen.

In een kamer renden twee mensen om een
modelspoorbaan. Ruzie of
gewoon wat geil?
De bakker stond al zijn shemden te
verkopen.
Van broodjes en ander bakspul veel
sprake. 

De hele buurt eet nu nooit meer vis.
En ik ving mijn huis te verven aan. 

Zonder de lepeltjes was er weer ruimte. Het
huis brandde niet
af. Zonk wel wat weg in de
aarde. Het geverfde was
geheel en al voor
niets dus kwam ik v
ader tegen. Hij was er-
mee verlegen.
Moeder is dood maar nog
altijd niet bereid je
te vergeven. En zullen we
het dak repareren. Maar ik had net mijn huis
geverfd.

Wel weinig rijm.
Maar wat the hek.

Werner Spaland

Brief (102) uit Schiedam

 

Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten.

F. Harmsen van Beek.

Nawoord Jan Fontijn.

Verwijderd uit de collectie stadsbibliotheek Maastricht.

Dat staat op de binnenflap van het hardkaftbundeltje
door vriendin S. (lief! lief!) als kadootje voor mij aan-
gekocht een paar weken geleden bij de tweedehands
bisnis van Bol.com. Het is de vijfde druk uit 1985 (eer-
ste druk 1965), dat ook staat op de binnenflap. Ver-
volgens zegt het flapje ook nog dat het omslag is ver-
rijkt met een gedeelte van een wand door Lucebert
geschilderd in het Nederlands Letterkundig Museum
in Den Haag. Dat laatste (de plaats) staat er niet bij. 
Er zal wel vanuit gegaan zijn dat een ieder die zulks
een bundel zich aanschaft dat wel zo’n beetje weet 
zo mag worden geconcludeerd.

Op de achterflap is een zwartwitfoto van de maakster
van de bundel geplaatst; een dichter met een vooral
vreemde blik (melancholie? gekte? treurigheid? ver-
twijfeling?) in haar ogen waarbij de mond een poging
doet om te lachen maar daar (gelijk de overbekende
boer met kiespijn die met alle geweld van ”t zal krek
niet’ toch nog probeert de wereld in te lachen) vooral
even niet in slaagt.

In de bundel zijn geen korte gedichten te vinden. Elk
gedicht beslaat op z’n minst anderhalve pagina. Ofwel,
dichter Harmsen van Beek heeft zo te zien geen kort
adempje in de gelederen van haar dichtzakken zitten.
Krek wat woorden zijn er nodig om de gedichten naar
hun einde toe te schrijven. Waarmee mooi niet al di-
rect wil gezegd dat het slechte gedichten zijn, ha nee 
gezien ook de plaats in literatuurland die ze innam en
nog steeds inneemt mag je de mensen die er kijk op
en verstand van hebben geloven.

De eerste leeservaring (al jaren en jaren is het werk
moeilijk te verkrijgen) met deze bundel was er een
van dat ik na een half paginaatje de weg naar de
daaropvolgende bedichte bladzij al niet meer in de
smiezen had door rappe leesverdwaling. Graag in
hevige raap wilde er dan terug naar de titel gegluurd
of daar een eventueel gemiste aanwijzing alsnog te
vinden was voor wat meer begrip. Meestal kwam er
dan wel wat, niet al teveel, wijs. Het blijft echter een
lastig avontuur als je voor de eerste keer deze poë-
zie doorploegt, zelfs al is het een schamel dunbun-
deltje van net 35 pagina’s.

Maar ik ga dus niet poëziepluizen, al zeker niet met
een poëzie die al een geduchte deun mee mag zing-
en in de canon. En dan, ik heb me er, zoals ik al vak-
er schreef, gewoonweg niet voor opgeleid om gedegen
alle lyrische wormen en ander onderaards kruipspul uit
versjes te halen.

O zeker, ik kan een beetje voor de vuist weg gaan zitten
plauderen over deze poëzie, een van de bundelversjes
bij de muizenpoot pakken, er een beetje aan gaan ruk-
ken en draaien tot er wat zegsap uitsijpelt. Ik kan de
kritiek wat nakletsen door te stellen dat deze poëzie
wel heel erg op voorbeelden uit het eigen leven is ge-
schreven maar dat de dichter door een destabiliserende
gramaticale vorm wel de gangbare literaire normen wat 
neusdruppeltjes gaf destijds omdat die normen, volgens
de dichter?, op te gewoonkabbelend schoeisel beenden.
Ook kan ik uit het in de bundel begeleidend stukje van
Jan Fontijn wat stropen en hier in eigen woorden neer-
zetten als een waarlijk slim eigen meninkje. Ja, zelfs
kan ik beweren dat ik het hele bundeltje maar een
rommelachtig gefrommel met woorden vind, woorden
behoorlijk associatief (het laatste gepikt van een ge-
leerdere, zie boven) waarbij door wat geluk soms
aardige gedichten zijn ontstaan, maar dat het over-
grote deel van de versjes uit die bundel geleuter is 
(dit is dan weer van mij) uit het huis tuin en keuken-
leventje van de dichter geplukt met niet meer resul-
taart dan dat de eigen liefdespijntjes, de eigen angst-
jes, de eigen gektetjes, de eigen oprispinkjes er klaar
uit opwellen zonder te komen tot een beetje hooglad-
der waarop universele ideeën tentoon gespreid worden,
ideeën die niet in haar poëzie te vinden zijn meer dan
dat de geleerderen met een bakje al te grage moeite
er hebben uitgevist. Verdomd dit alles kan ik zomaar
doen. Maar, een zekere afheid gebaseerd op zelfken-
nis is mij niet vreemd: hoe graag ook, ik kan het ge-
woonwaag niet!

Zie het 1e deel van een gedicht als dit uit de bundel:

Geachte muizenpoot

Hoe gaat het met U, met mij goed. Wel is alles heel
vervelend, als ik voorover lig gebed in mijn gedachten

aan U en ben ik ook heel eenzaam. En onderga de lente
als een flauwte. Dit is mij nu zo vaak al overkomen dat

ik er de klad van in mijn wezen heb en dat tussen het
afgerukte vlees der hyacinten de verplegers van die

bloemen knielen voor vreemdelingen. (Dit heb ik zelf gezien
vanuit de trein naar Haarlem.) Zoiets zondigs en krank-

zinnigs U te schrijven, maar omdat lente van liefde een
aberratie is – en niet omgekeerd – opdat U daar niet in

zal trappen, in een vreemd land en zo eenzaam te dwalen.
(Bepalend voor het lot van zwervelingen enkel herkomst.)

Nu, met mijn hart gaat het wel beter, maar de tuin is
verwoest mijn lam, verwoest. En sta ik radeloos onder

onzuiver groen in dit en komende seizoenen: mijn hoofd
tot hatens toe, mijn hout tot bladeren bedorven en

schrijven wij pas mei. Dat hebt U er nu van, mij
‘s winters te beminnen en ‘s zomers te dwingen onder

raar lover humorloos en onchinees te wezen, mij, lief
hebbend evenwichtig als een oude man, genegenheid bed-

weterig doen zien ontaarden in het teer, vraatzuchtig
zeuren der libelle-achtige dames, want ik weet mijn plek.

Een teer punt. Een voordeel zo te zien, maar wezenlijker
reden om over in te zitten dan de onbenulligheden die

van onderhonden het gedachtenleven leiden tot in priëlen
van zelfbeklag: zulk lijden slecht gemotiveerd maar zinvol,

want wie, wie vreet mijn spijt? Neem dan de bomen maar, die
bloeiend blind tot vaderloos afvallige vruchten, bederf en

winterkou: en nooit een klacht! Want tot verstommens toe is
liefde hun te moede. Te moede is. Liefde mij te moede, is

liefde mij… etc. (handtekening onleesbaar)

Zoveel leesonzekerheden als daar in zitten. Help!

En om eerlijk te zijn ben ik deze brief begonnen 
met de in mij opwaaiende bevreemding dat een
bibliotheek zo’n dichtbundel uit de collectie haalt.

Vooral het waarom hupt mijlenver boven mijn be-
vreemding uit.

Weet u het?

Brief (101) uit Schiedam

Gerard Reve heeft een laan in Groningen, hij heeft er een in Goes,
een in Kloetinge, de eigenwijze W.F. Hermans heeft vooral een hele
laan in het al genoemde Kloetinge en Harry Mulisch zal ook wel een
laantje pleintje of straatje hier of overal hebben gekregen, om van
de Heijermansjes, de Couperusjes et et et et et et et cetera maar
helemaal niet te spreken. Als je als schrijver namelijk ook maar een
flinter je best hebt gedaan krijg je als vanzelf, uiteraard wel na een
volop bewezen dood, een laantje, straatje, pleintje of zelfs hofje naar
je genoemd. Een gebiedje waaraan je naam per voor eeuwig geplakt 
gaat zijn al ben je er als levende schrijver nooit geweest, ook al heb
je het er in je schrijfleven nooit over gehad zo’n geografisch plukje
in z’n enorme bestaan ook maar voor een nanoseconde te kennen,
laat staan dat je er een DNA-schilfertje hebt achtergelaten tijdens een
korte of wellicht wat langere aanwezigheid aldaar. 

Een toch vreemde en vooral willekeurige zaak. 

En dan, je zal me daar als schrijver een onbenullig steegje bijvoorbeeld
krijgen toebedeeld, of, nog kwalijker, zo’n te ontzettend doodlopend
straatje. Aan zoiets lulligs wil je toch je schrijversnaam niet verbonden
zien na je dood? Een zeer riante laan okay nog net, een plein waar je
een kek gemeten pleinvrees van krijgt prima uiteindelijk, een schoon
geplooide straat waar dé Beatrix doorheen heeft gewandeld heus de
schrijver zal na veel gezeur geheel de uwe gaan zijn, maar een achter-
af steegje waar je grote delen van de dag niet eens de zon kan waar-
nemen, waar het ruikt of al de mensheid er alle uren van de tijd heeft
staan uripissen, waar de gevels van de huizen elkaar aan de goot bijna
raken zodat een koppie suiker zonder moeite in een graai kan worden
geleend door het vanuit je huis zo van buurvrouws tafel te grissen met
de woorden dat je effe de suikerpot leent, godver, het zal je maar ge-
beuren, zo’n flutplekje krijgen. Dat geen enkel toetsje aan mijn com-
puter hier ook maar een moment mee bezig wil zijn als zijnde te word-
en bewaarheid, het mag duidelijk heten.

Een steeg!! Een doodloper!!!!!!! 

Mooi niet!

In Schiedam, echter, denkt men daar toch een tikje anders over, dood
hoeft niet eens, want er zal toch niet aan te denken zijn dat de wereld 
zomaar even niet ontdekt dat er hier in deze stad een eventuele schrij-
ver leeft.

Een! bestuursgruwel!! natuurlijk!!! 

Nooit zal het de stad, net als bij die Piet Paaltjens, meer overkomen. 
De hier wonende eventuele schrijver zal verdomme voor eeuwig prijken.
De hele wereld zal het weten en het enige wat daarbij de schrijver for-
meel bij leven nog heeft te doen is een paar boekjes volletteren, wat
dichtbundeltjes voltjilpen met stadsversjes wellicht, want zie mooi toch
maar even:

_bewerkt kleinP7170069 

 Schoon bedoeld zal het zeker zijn. Al is het wel wat scheef allemaal, de
verering, zo mag gezegd. Of ze er in dat Schiedam nog niet helemaal
in geloven zo lijkt het. Trouwens, de schrijver ook niet meer dan een
scheutje valt klaar te constateren op de foto, nogal slaafs namelijk, zeker 
voor een schrijver, heeft hij zich aangepast aan de Schiedamse werkelijk-
heid door braaf synchroon te gaan staan met de te scheve paal waaraan
zijn naam prijkt op een wel erg beroerd opgehangen en ook roestig straat-
naambordje.

Met zo’n eerbetoontje hoef je als schrijver natuurlijk graag niets meer.

En het hele geval terugdraaien, het zal de stad door gans de wereld in al-
le toonaarden worden verweten als was ze een rivier die haar stroom laat
verwaaien in allerlei lullige zijvertakkingen zodat er van een rake stroom
geen sprake meer kan zijn. Nee, het terugdraaien dat zal een, en zeker
deze stad gezien het voorgaande nooit doen. Hoewel, met alle bezuinig-
ingen en andere cultuurclusterblommen die deze nieuwe en heerlijke re-
gering zo kwistig over het land strooit weet je het als schrijver maar nooit
te hopen. Voor je het vreugdevol in de gaten krijgt is de kans er dat in
deze krimptijd jouw naamgebiedje kek hernoemd gaat worden, kan je
schrijversnaam gelukkig toch naar beneden gehaald, heet jouw (z)eer-
plek ineens het “Hele-eurohof” of iets dergelijks, ”Warme-centenplekje”
kan ook zomaar, of, nog fraaier, ”Ruttes pluspleintje” (plus, want uiter-
aard een pleintje puik volgestouwd met een aanzienlijk Partijtje Vrolijk
Vrije plantjes). En toch en toch en toch, zoiets wil je als bezielde stads-
bewoner uiteindelijk toch ook weer niet.

En dan, Hof van Spaland, alles is schoner dan niets, nietwaar.

Daarom dit dus maar even:

Plaatsje van betekenis want

zeg nu zelf er valt veel nat
in Schiedam nog te beleven

vaak regent het

zo niet dan wordt
het glas geheven
op alles wat er leeft
op alles wat er opgedoezeld is

keukendeuren staan er scheef

toch zijn de pannen fris
zelfs de koelkast wil er niet kleven

de huizen staan er
geurig in een rij
op ieder bedje ligt 
lief een mooie sprei
het is een stad om heerlijk te verduren

bewoners doen zich
in het middelpunt
de burgermeester runt
er alle lagen van vernemen
van boos beleid zegt ze dat dat niet kan

de fietser gaat er
zingend door de straten
de wandelaar doet
er zijn zachte pas tegoed
de stad is lief ook voor de Rotterdamse buren

ja alles wil hier
tot fraai vertoeven
geen plaats is er
voor al te erge boeven
deze stad ze is als vrouw een hele lieve man

Ja hemel zeg, ik ben natuurlijk niet gek, zulks ‘eerbetoon’, daar
moet je als eventuele schrijver toch heel héél lievig mee omgaan.
Kwijt is maar kwijt zo zei een ver weggezakt spreukje ooit. Of iets
anders en populairder gesproken, men moet een geveven paard
nooit in het vreetgedeelte loeren, zulke lange, lange, lange tand-
en, je zou als eventuele schrijver daar ha even mooi al te gek zijn! 

Ps: Toch benieuwd wat de stadsdichter hiervan vindt, want een
stadsdichterstraat, -laan, -plein, -park of -hof, zoiets is voorals-
nog in het Schiedamse totaal niet te vinden. En dat terwijl ie de
eerste!! stadsdichter van Schiedam is en trouwens, in tegenstel-
ling tot mij, Spaland, ook al aardig op weg een hele bundel aan
stadsgedichten bij elkaar te dichten. Waarachtig, het klopt mooi
van geen kanten, dat Hof van Spaland, zo denkt de uitermate
bescheiden eventuele schrijver in mij, dus al te graag zou deze
eventuele schrijver dat hele eerbetoontje willen overdoen aan ge-
noemde stadsdichter, al leeft ook hij nog.

En deze man? Die zal vast en zeker zeggen: get a life! 

Pure projectie natuurlijk!

Werner Spaland

Brief (100) uit Schiedam

Nee over mijlpaaltje honderd zal niet gesproken.

Reeksen? Peuleschilletjes.

En over het oude jaar wil het al helemaal niet gaan.

Ik ga het eens over mijn zelven hebben, want daar
is tot nu toe niet veel van gekomen, heel die mijn
zelven zijn al die tijd verdoezeld geweest als koeien
in een keurig verpakt lapje rundervlees, als verdoe-
zelde gedichten in proza, als onzichbare nootjes in
een dop, als eh al de letters in het woord letterloos.

Hoog tijd dus.

Want ten eerste lijk ik op een stoeltje zonder zetel,
niets of niemand kan op mij ter zetel liggen, hangen,
leunen of zitten, hooguit bepaal ik voor een enkel en
heel kort moment een denkgang vol twijfel bij iemand
die mij in het zitoog krijgt als iets waar mooi geen zit-
ting aan klopt.

Ten tweede wil ik dat wat graag, op zo’n stoeltje lijken.

Ten derde is het zo wel weer genoeg over mijn zelven.

Het over anderen hebben is veel leuker natuurlijk.
Trekt ook veel meer lezers zo merk ik al tijden.
En lezers, zo heet toch zeker het cliché, die houd-
en het schrijfwerk van een schrijver in leven als was
het een voswerkje in een modern kippenhok waarin
zo’n voswerkje de kippen heus kan doen opkakelen
naar wat meer leven en de kippen op hun beurt weer
etc., tenminste in zoverre dat in een legbatterij kan
natuurlijk, de ruimte per kip namelijk is nogal beperkt 
zo weet dus ook de hele partij voor de dieren.

Maar eerlijk gezegd over anderen heb ik het al eens
uit en te na gehad in de oudejaarslink van hierboven
en ook heus in de serie ‘Mijn vriends meningen’. Bei-
de, maar vooral de laatste als reeks uitermate tot in
alle hoogten gewaardeerd door tigtallen lezers, zelfs
door een ‘bekende’ dichter, al heeft ie, te vermoeden
na lezing van de serie, wel zijn nogal naïeve commen-
taar onder mijn ‘Brief aan God’ schielijk weggehaald.
In de hierboven genoemde ‘Mijn vriends meningen’-
serie namelijk wordt nogal ten strijde teruggekomen
op het weggehaalde Godscommentaar (in de serie is
dat commentaar in ’t geheel, heus en echt onbedoeld,
bewaard gebleven) van deze dichter en…

Eh genoeg nu over anderen.

Hoewel, de buurvrouw, u weet wel, die een tijdje-
geleden
 nog zo geëxalteerd over haar lieve leider
mij aansprak om eens een gedichtje voor hem te
schrijven, welnu, die buurvrouw is uitgegleden over
een bergje glad geworden sneeuw dat hier nu al 
een flink weekje ligt, precies boven op haar gezicht
is ze gevallen zodat het geen gezicht méér is dan
een bult van purperblauw waaruit, ook al door een
gebroken kaak, geen kranig kikje aan geluid nog
kan komen. Die bijleider van de buurvrouw, overig-
ens, is, in ieder geval voor de Bühne, ook al een
flink toontje lager gaan zingen zo lijkt inmiddels
nu hij karrevrachten gedoogverantwoordelijkheid
heeft gekregen en zijn meeloopkloontjes toch flink
wat minder perfect gekloond bleken dan hij gewild
had, het stoere jongensborstje opzetten is voorals-
nog zeker voor de helft verdwenen, al beweert Ab
Klink dat hij verwacht dat het bijleidertje echt geen
stoertoontje lager zal gaan zingen de komende ja-
ren. Maar ha, dit is geen punt naar minder waard-
ering zo wil mijn buurvrouw, voor geen kleintje ver-
vaard weet ze daar wel weer een flukse oplossing
voor te vinden als de nood aan de leider mocht
komen. Ook met het gehandicapte kaakje trouwens
wil ze niet voor een gat gevangen, ze loopt nu met
haar enige dochter over straat die haar bultgemom-
pel op wonderbaarlijke wijze weet te vertalen naar
een verstaanbaar verhaal. En daarbij is ze ook nog
eens bloedmooi, die dochter, zodat willekeurig welk
een ellenlang verhaal van de moeder over dat niet
haar leider de schuld is van die uitglijberg, maar de
gemeente geen enkel probleem meer is om aan te
horen. Zelfs het verzoek om een gedicht te schrijven
voor die leider wil vol graagte ingewilligd met het oog
op de grage kans de dochter zo’n door mij gemaakt
leiderslied voor te kunnen dragen. Liefst in een try-
outvoordrachtje met haar alleen natuurlijk, om te be-
palen of het lied wel goed genoeg is om haar lieve
moeder te plezieren. 

Maar goed, dit alles is bijzaak, ofschoon ik al wel de
eerste zinnetjes heb voor dat liedje: O leider van ons 
kleine werelddeel / een ieder smakt de klompen op
het nat struweel / maar u met al uw leidersgaven / o
u zal ons aan het ware leven laten laven / u weet hoe
het onze klei nu moet vergaan / u zingt geen blub te
blab of zulks ander waan / u doet onze harten… Ver-
der loopt het ding nog even niet. Het moet natuurlijk
wel snel klaar en ook heel schoon zijn, dit lied, per slot
wil er graag op gedingest worden met al het dochters-
schoon, het hele nog resterende oude jaar uit liefst.

En zo zijn we weer vrolijk bij het begin van deze brief.

Mijlpalen?
 
Ik heb er gewoonweg niets mee!

Brief (99) uit Schiedam

Aangeraden: een hooibad na het skiën. 
Een bad in dood gras?
En dat zal goed zijn voor het lichaam?

O lovely lovely lovely world!

Dus ga ik het snel in zip hebben over de onder de skiën
liggende sneeuw, want die valt de laatste dagen ook hier
met bakken uit de wolken en bedekt gans het Schiedamse
alsof er een witte doodklap wil uitgedeeld die nog lang te
boven zal moeten worden gekomen door het stadje dat
somtijds door deezofgeen heus nog beleefd wordt als een
plaatsje van niets of in ieder geval van steeds minder en
minder. Volkomen onterecht natuurlijk! Gelukkig wil al die
witpap in dit geval precies neervleien in de tijd dat het
jaarlijks geboortefeest van dat wereldberoemde joch hevig
aanstaande is te zijn en kan zo het doodklapje mooi aan
dat baargebeuren geplakt als zijnde geweldig fijn dat het
zo bij elkaar zich versterkt naar iets lalalavend gezelligs.
Mooi zouden we anders met het neergevallen doodklap-
goedje zonder pretjoch-associatie ons totaal geen raad 
weten, alsook gingen in het geheel geen films vol witval 
meer worden gemaakt gelieerd aan genoemd blaagje
dat zich bloot presenteerde in een voerbak voor vee
met daarin zéér bescheiden alleen een laagje stro, een
goedje, overigens, mooi heel wat anders dan het hooi
uit het gezondbad van hierboven. Waar hooi gedroogd
gras is komt stro voort uit gedroogde graanstengels, uit
restjes, uit afval dus eigenlijk. Toch wel een tik in het ge-
zicht van het baarjochie al dat stro waarin hij zijn eerste
levensdagen moest slijten zo wil heus wel even gecon-
stateerd. Misschien komt daar wel baarjongs idee van-
daan om als je een klap krijgt de klapgever ook de
andere wang toe te keren. Het kan zomaar zijn en is
de geschiedenis gewoonweg kek gebouwd op zulke in-
cidenten. Wat dat betreft is dat egomaatje menselijke
psyche ook maar een beetje, als vuile was in een was-
machinetrommel, in elkaar gedraaid, vanalles kan er
zomaar uit komen, de gekste dingen, zelfs iets als die
hooibadjes van hierboven. Maar zo over dit soort zaken 
praten, dan kom je al gauw in geleuter zonder oevers
terecht zo willen sommigen graag menen, want ge-
noemde vleisneeuw en jochgebeurtenisjes, zo beweren
ze, zijn in zichzelf totaal onverschillig voor elkaar zoals
de wind bij voorbeeld de bomen altijd wel doet bewegen, 
een verschijnsel waarbij het de wind in totale onverschil-
ligheid een biet zal zijn de bomen aan het schudden te
brengen. Ik vind dat onzin, behoorlijk afgeleurde onzin
zelfs, want als wij mensjes niet de associatiebalkjes kun-
nen zijn die we graag zijn waar blijft dan onze hierboven 
genoemde gezelligheid, waar blijft dan al het blijgebeuren,
waar blijft dan ons in te kleuren hart, waar blijven al de
boeken, waar de schilderijen, de films, de beelden, en
waar blijven al die o zo heerlijke hooibadjes dan wel niet,
waar moeten we in jochsnaam met onze van maak-
poeder bruisende lichamen dan naartoe? Ik wil name-
lijk als bruismens van een open trap ook kunnen zeg-
gen dat het een luchtkam is, ik wil per bruis me kun-
nen verwijlen in een wereld waarin ik een parkeerplaats
als een sterfplaats voor uitgeputte snortorren mag zien,
waar voor mij een grasveld een zacht bed mag zijn voor
horizontaal georiënteerden, waar een brievenbus voor
mij een felrode verzamelkoffer van dromen mag zijn,
waar een groen vlak op een muur een weiland gaat zijn
als ik dat wil, een wereld kortom waarin ik mijn asso-
balkjes als puntjes naast de i mag zetten. En dan, er
zijn nog altijd die eeuwige natuurwetjes als verre bak-
ens om de oevers niet geheel en al uit het zicht te ver-
liezen, dus een plens regen te benoemen als tranen-
vloed van een opperwezen, het is, zoals ik hierboven
schreef, heel mooi, maar die traantjes ze blijven heus
met al toch regen al jankt het opperwezen zich nog
zo ongans. Tussen die natuurwetjes is bij dreigend
oeververlies dus kek te allen tijde terug te laveren o
zo lieve sommigen met-uw-niet-over-praten-want-
oeverloze-beweringen zodat het oeverloze zowaar 
altijd erg meedeint met die verre bakens en wij als
associatiebalkjes flink in de weer kunnen blijven wat
mij betreft, de bakens, heus, ze drijven ons balkjes,
terecht alswel onterecht, als vanzelf wel terug naar de
voor sommigen wel héél broodnodige oevers. Zie bij
voorbeeld (vanwege genoemde boeken) een gedicht
als straksvolgend dat door een stadsdichter uit Henge-
lo in een ’dichtwedstrijdje’ bestempeld werd als: “Wat
men noemt een stapelgedicht, alleen passen de steen-
tjes niet. Poëzie vraagt iets meer dan geouwehoer ins
Blaue hinein. Vandaar dat de koeien zich wijselijk houd-
en. Van poëzie gaan ze hazen vangen”:

X naar het domein van x

Zes lijsters in de cockpit van een vliegtuig
De haan kukelde van jaloezie
Maar de bloemen in het veld bleven staan

Een kilometer verderop
Ontstond een molshoop

Ook was op de maan
Sinds de maanlanding
vanalles in stilte gehuld

De lijsters wilden er geen boodschap
Aan hebben het vliegtuig vloog hoog

Ergens in een huis
Lag een doodzieke
Die gilde het doodzieke niet hebben

Een stekker in het stopcontact elektrisch
Geladen dacht er het zijne van
En blies dit uit via de radio maar niemand

Er voer een schip voorbij
Buikvol heb van de wereld
Het water droeg de daden

Een groen vlak op een muur
Speelde voor weiland
Koeien hielden zich wijselijk

Een onweersbui wil nu gewenst zijn
Een onweersbui die het moet doen

‘t Vliegtuig met de zes lijsters daalde
De aarde stokte niet eens op haar as

Goed, ik laat, bang als ik ben, de bestempeling van
de Hengelose stadsdichter voor wat het is en ga eens
een fris beetje in de sneeuw stampen met flink inge-
schoende voeten. Misschien krijg ik weer wat te bar
versmaadde associaties, iets heel erg br’s wellicht,
iets van dat de witval de schaamkraag is op de hele
schepping, of dat sneeuw ’t opium is van het kerst-
feest zodat het ha! al met al heel shön zal gaan zijn
tussen de verpletterende natuurwettekes.