Brief (110) uit Schiedam

Raar ding eigenlijk, een brief die je naar niemand
én tegelijkertijd naar iedereen digiteert via het zo
beter dan het bloed kruipende net waaraan indivi-
duen bij tijd en wijle hangen die je nog vreemder
zijn dan het eerste ‘t beste grassprietje op wille-
keurig welk weidje ook. Van gras weet je dat het
groen kan zijn. Of stervensgeel als het weer een
beetje meewerkt. Van die nethangers heb je dus
mooi geen idee. Natuurlijk hoop je op lief spul in
het wereldwijde web, spul dat een beetje op eh
zoet in de weer kan zijn, dat alle kleuren van ooit
bestaande regenbogen op kan jongleren. Spul dat,
kortom, je heel graag als lezer zou willen wensen. 

Nu zo’n 109 brieven geschreven en geen idee dus
wie ze leest. Of ze überhaupt wel gelezen worden.

Gelukkig maar, want wist je het:
Geen brief meer waarschijnlijk.

Aldus mag zo het alweten onder geen beding in mijn
lijf huizen, nee, zelfs voor een tel mag het er niet ver-
toeven, want ja, toch een kostganger die je hele! lijf in
een stevige scheut op angst zet. 

Want er zal en moet heus geschreven.

In ieder geval door mij van mij.

Al heb ik, zoals wel vaker, geen idee waarover op
dit briefschrijvelijke moment ook maar te schrijven.

Geen inspiratie zogezegd. 

Tot mijn vreugde hoorde en zag ik kortgeleden Nel-
leke Noordervliet in een of ander kunstprogramma
met stelligheid het aloude en tot in de naad van het
hemd van iedere schrijver bekend geacht feitje be-
weren dat je even nooit op inspiratie moet gaan zit-
ten wachten, want lieve amateurs dat komt gewoon
niet.  Arthur Japin, die naast haar zat vanwege een
jurygebeuren, knikte heel wijs bevestigend op de
uitspraak van Nelleke. Voor mij nog meer reden om
op zál verder te schrijven. Zo’n Arthurknikje namelijk
wil ik graag in de liefst niet meer zo verre toekomst
ook wel ten beste kunnen geven op de teleschoon-
bak. Dezelfde bak, overigens, waarop ik niet veel
later ook Nico Dijkshoorn kon bewonderen bij Pauw
& Witteman omdat hij het boekenweek-essay zo-
waar zomaar heeft mogen schrijven en waarover
Coen Peppelenbos wel zo’n positiefelijke recensie
schreef dat zelfs ik zin heb gekregen om de essay-
bundel “Verder is alles goed” in de boekenweek aan
te schaffen voor die luttele 2, 50.

Nico wordt zwaar onderschat middels al de tekstjes
die hij in half onverstaanbaar Amsterdams mag brab-
belen bij De wereld draait door volgens C P in dezelf-
de recensie. Hij is ook een snoeiharde essayist aldus
nog steeds C P. En ja, na dit sta ik natuurlijk tot onder
ook mijn oudste hoed open voor een draai van 180 gr-
aden.

Maar genoeg hig-brow wel weer.

Nu even lekker uit de allerindividueelste navel pulken.

Ik namelijk, ik drink koffie waarin melkpoeder zál. Veel
melkpoeder, anders is het aan mij niet drinkbaar. Het
moet lekker slap die boel. Ofwel, mijn koffie mag voor-
al niet teveel naar koffie smaken. Het is bijna zoiets als
met de waarheid, die mag ook niet teveel naar waarheid
smaken, daar wordt ze, net als koffie zonder melkstof,
maar bitter van veelal. Waarheid, daar moet een beetje
water bij, daar moet een vleugje onwaarheid in zitten,
wat spatjes om de sjeu zo gezegd, pas dan wordt ze 
soepel verteerbaar.

Er zijn mensen die zeggen dat dé waarheid niet be-
staat. Dat zijn vast net zulke koffiedrinkers als ik, met
héél véél melk(poeder). Overigens, over de boeken-
week gesproken, ik hoop dat het weer bewaarheid
gaat worden dat ik en anderen met het gratis boeken-
weekgeschenk van dit keer de Belg Tom Lanoye ook
dit jaar gratis kunnen treinen. Het is de enige keer in
het jaar dat ik met de trein ga. Want zoals mijn over-
leden vader altijd placht te zeggen dat ie de griepprik
wil omdat ie zo ontzettend gratis is, zo neem ik dus
één keer per jaar de trein omdat ie… Trouwens al die
te kopen boeken voor zo’n gratis reis zijn heus duur
genoeg. Ik koop er nogal wat in de boekenweek ieder
jaar. Voor een gratis boek namelijk heb ik, opvoeding
waarschijnlijk, wel voldoende terug te doen. Zodat de
gratis reis, ik schreef het al eerder, toch behoorlijk vet
betaald wordt uiteindelijk.

En zie: toch ook weer een waarheid, dat gratis, waar
een flinke scheut water doorheen geroerd moet om
een waarheid te mogen zijn. Je zou voor het gemak
van al die rondstruinende waarheden zomaar in God 
gaan geloven, ware het niet dat je dan wel heel erg
veel water bij je eigen zijn moet doen.

Schrijvers liegen de waarheid is een bekende tover-
spreuk. Mooi niet alleen de schrijvers, zo is na deze
brief mijn zware vermoeden.

Potver, er zompt zowaar een filosoof in mijn navel!

Naar brief 1 (scrollen)

Virulente hoedbewoning

kraaloogjes achter plexiglasweelde
strompelend over manen bij dageraad
pal voor een kastanjevaas met klaprozen

dat kende je wel

een gebroken schepping lijmen
behoorde evenwel tot de mogelijkheden
maar met repareren had je niet zoveel

ook dat wist je

stokrozen midden op de weg
trambanen overwoekerd met schoenen
gevels die verhalen uitdelen

daarvan wist je minder

ook over het wonderwoud van spelen
met wallen tussen scherven van olijke
hoornoten aan bedreven beelden als

“Duizend kippen na de brand afgemaakt”
“Bloemencorso eindigt in drama”
“Spoortrajecten geraakt door de bliksem”

wist je weinig of niets

wel vond je “Singin’ in the rain” nog altijd
een gave film
om die dans                            in de goot

 

Brief (109) uit Schiedam

De ANWB?

Daarvan ben ik lid.

Nog wel.

Want zoals Martin Bril (jaja, die lees ik ook, eh voor
het eerst weliswaar, en voor het laatst zo doet het
zich vermoeden, want nog zoveel ander spul is er
in de wereld rap te lezen) in een van zijn stukjes in
een laatste door zijn vrouw samengesteld boek (Het
evenwicht) schrijft dat de hoofddirecteur? van de AN-
WB zich niet heeft te bemoeien met de inrichting van
het Nederlandse landschap tegen verrommeling (Bril
las dat ergens in een artikel – zie zijn boek bladzijde
170 / 171), zo rimmel ik er van dat deze ANWB zich
via een opdringerig reclamespotje op de televoos wil
gaan bemoeien met het feit dat ik winterbanden onder
mijn auto heb te doen.

Winterbanden!

Het is toch een gotspe in een land waar de winter, 
uitzonderingen daargelaten, al decennia op decen-
nia alleen wat natte sneeuw heeft weten te produ-
ceren. Nattigheid waarvan de dan ondergebonden
winterbanden op slag aan schaamventielen gaan
lijden krijgt die ANWB-klup (ook in de eerstegraads
autobisnis tegenwoordig) met genoemde promotie-
campagne het voor elkaar heel rijdend Nederland
aan winterrubbers te verslaven. Rubbers zoals ge-
zegd meestentijds nutteloos, vette winters namelijk
zoals in Rusland en omstreken zijn hier statistisch
gezien niet te verwachten dan eens in de twintig tot 
vijftig jaar of daaromtrent.

En dan, waar al die extra banden te laten?

Ja, eerst een opslagje

Maar dan?

 Al jaren lid, ik dus.

In al die jaren 1! keer gebruik gemaakt van die klup
via een plots te leeggebloede accu. In Delft was dat. 

1 beproevend klein keertje!

Hoewel, er zij gezegd dat ik ze ook eens nodig had
in België. In het badplaatsje Oostende brak zowaar
auf einmal de koppelingskabel van de Opel Combo.
Gestrand in een streepje winkelstraat de ANWB ge-
beld in de veronderstelling dat die wel een bevredig-
ende oplossing voor het ontstane probleem zou aan-
dragen met alle égards een al jaren trouw betalend
lid ten volle waardig!!! Uiteraard leest u hem al aan-
komen; of ik een lidmaatschap had voor het buiten-
land zo begon de floerse ANWB-stem in mijn mobiel.

Eh… Nee dus.

Want uh geen idee (ik lees ‘t klupblaadje of anders-
zins gedrukt ANWBgedoe nooit) dat dát nodig was.
Dan kunnen wij u niet helpen, probeert u het eens
bij de Belgische wegenwacht, zo was het antwoord
van dé klup van Nederland aan mij, trouw lid, die in
een smal winkelstraatje stond waar het dus heel wel
gezellig verboden te parkeren gold.

Een nogal smoorbrengende oplossing.

En dat van een klup die nu ook nog eens verdomme
op sturende wijze alle automobilsten een flinke zooi
meestentijds zéér overbodige winterbanden door het
ragrijdstrotje wil stuwen.

Stuwen ja.

Hoewel, HOEWEL.

Voor het eindejaarsfeest is het natuurlijk wel tof, zo-
veel extra extra! banden. Want branden, dat  doen
banden als geen ander. En dat er millieutechnisch 
het een en ander op aan te merken is, nu ja, dat is
meer iets voor al de rondleuzende gediplomeerde
beroepskniesoren.

Maar goed, voor een noodkabeltje dat ik echt wel
binnen twee weken diende te vervangen aldus een
opgemobielde Belgische wegenwachtman mocht
ik heus een droeve bak aan euro’s betalen. Ja, een
werkelijk onbehoorlijke smak euro’s. En dan nog
stevent België op een dodelijke financiële crisis af
zo schreeuwen de alom rondzwiepende berichten.

Overigens, nauwelijks bekomen terug in Nederland
liet men mij ook hier een onbedaarlijke plons aan
euro’s voor een volwaardige Opelkabel neertellen
en zodoende stevent dit land ook op een crisis af.

ANWB / winterbanden / veiligheid.

Jaja.

Maar ha, de eerste krokussen zijn weer in het land. 
Toch maar mooi dé fréle aankondigers van een on-
bezorgde winterbandenloze periode.

Fréle en krokussen?

Een politiek eindje dan maar?

Da’s wél altijd high-brow.

Maar weer Geert, het wordt zo gewoontjes inmiddels.

En Job is ook al weg.

Moeten we het ineens met vijf andere koppen doen. 
En dat terwijl het kopje van Job zo lekker begon te
beklijven.

Geen Job, geen top wil je haast gaan denken bij alle
liefcommentaartjes na de aftocht van hun aller Job.

Potver!

Wellicht dat de ANWB hier ook iets mee kan?

 

Naar brief 1 (scrollen)

Romanke .12

juist voor een laatste slok koffie
op het moment van naar bed
of om het even naar de winkel

*

sluipt er steeklicht aan het raam

wel de bril op
maar
de glazen druil

midden in de nacht
dus doet hij verder

want

hond heet poeh
hier volkomen
overbodig te zijn

de broekzak vol knikkers loopt leeg op de trap
de kat heeft bergen lol vangt bijna alle stuiters

geamuseerd stapt hij
zijn thuis naar buiten

het heelal knalt
vol op de rug
dolt de sterren

zijn maanvis in de kom binnen
kieuwt het water of het zowaar
in een flauwe grap is geraakt

haakt zijnsrondjes

- om hij dé maanvis die zich wat inbeeldt -
- om een hij die zijn thuis nu gaat luchten -

ingrediënten voor komexistentie

zijnsrondjes

HET ZAL DE KIJKER LEREN

*avondwinkels alom

Brief (108) uit Schiedam

Zo, de kou is in ieder geval uit het weer verdwenen.
En weg ook de zoveelste niet-stedentocht.
Met een gerust hart is er weer te werken.

Aan een brief als deze bijvoorbeeld.
De eerste van dit jaar.
Terwijl het toch al half februari is.

En daar we het toch over het weer hebben:

Als er nu een koe te water raakt, hoeveel eerder zal het beest
doodgaan nu het water nog wel een tijdje ijzig koud heeft te zijn.

Een schaap mag natuurlijk ook.
Een mens wordt al wat minder.

Hoewel Geert en afkoeling, de winter zou in ieder geval, nu de
stedentocht niet doorgaat, niet voor niets zo stevig gewinterd
hebben. Niet dat Geert hetzelfde lot als de koe van dat sneller
doodgaan hoeft te ondergaan, nee, maar hem een  beetje kou 
zoals die op een van de Polen heerst laten beleven, het kan zo-
maar een heel gaaf hulpje zijn het vreemde concept van vrijheid
dat hij onder zijn buitensporig begroeide schedel beleeft een iet-
wat fris bij te stellen. Het zou van zijn winter een mooie zomer
maken. Rutte zou het wel zo zonnig vinden gebeurde dat bijstel-
len zonder er wat van te hoeven zeggen, want ook hij staat in-
middels stevig aan de rand van de nog ijskoude sloot. Een ril-
positie waar de oppositie vreugde van op de horizon gaat zien,
ze trekken in ieder geval lekker stevig aan de panden van Rut-
tes leidersjasje en trachten hem dichter naar de rand van de
sloot te manouvreren. Rutte rilt al licht in zijn gedoogafhanke-
lijke positie, maar de panden van zijn jasje houden stand in hun
stevige stiksels, geen enkele breuk geven ze vooralsnog toe.

Goed, dit wat betreft de toestand van al de wereld Nederland.

Nu even over heel de wereld Schiedam, want nog altijd zonder
officiële burgemeester dit stadje omdat vrouwe Verver eruit is
gebonjourd vanwege vermeende malversaties op het gebied
van financiële privélekkernijen. Het blondmeidje is inmiddels
weer half en half gerehabiliteerd en zal een door de gemeente
op te hoesten vette zak geld kunnen gaan besteden aan haar
o zo geknakte leventje. Geknakt! Ja heus, want ze mag niet als
hoofd van de stad terugkeren. Of hier de winter ook zomers
zal gaan schijnen wil nog de vraag zijn, de gemeente namelijk
heeft al zoveel schulden dat die Ververse zak geld mogelijk wel
eens over de ruggen van de armsten van de stad naar boven
gehaald heeft te moeten worden. De eerste tekenen lijken er al,
waar de armen in het verleden ongeveer twee maal driehonderd
euro als extra ondersteuning ter draging van hun armoei kregen
is er zowaar dit jaar al de helft van afgesnoept.

Het geeft toch als het ware te denken.

Met Europa gaat het overigens ook wel kek slootwaarts zo lijkt het.
Nog even en de aloude dame mag naar de gaarkeuken marcheren.
Nee, hier is de zomerse winter nog meer stevige kilometers weg
mogen we alle helse berichten die werkelijk als een tsunami aan-
stormen geloven:

Griekenland treur / Italië treur / Spanje treur / Frankrijk treur / Por-
tugal treur en en en en en en en en en en en en en en en en en… 

Godver!

Node: een gedichtje.

Ja, een kloek versje ter opleuking van zoveel treur:

De zon flonkert behoorlijk pervers vandaag

maskers bloot plots
boven
iets van al schouders
 
van veraf nog
klinken liedjes
eens vrolijk geblazen
 
maar in de camera het rolletje
 
Klik Klik Klik
 
: een grote, te grote reus
zittend
op de rand van de wereld
 
om zijn nek een bordje:
 
Te Koop
 
daaronder
de kleine letters
bijna onleesbaar:
 
Hoor me
Buig me
 
Ontdek de duizend dwergen in mij
 
Maar de zon flonkert dan ook behoorlijk pervers vandaag
 
Werner Spaland
 

Naar brief 1 (scrollen)

Romanke .9 / .11

.9

liederlijk
bulkt een boek uit de boekenkast

lente
zingt een ander geschrift

onzin
zo ook lepelt er tussen wat kaften uit

over de tafel een tekening
daarop bedreven mieren
getekend in een naïve stijl

ik eet een Berliner bol

Jezus hangt cosy aan het kruis boven de deur

o een paar sluike dijen nu
en ja ook de thee al koud

zeeslagen
lonkt een paperback

uit mijn geschiedenis pulk ik een moment

een moment van

verrijking op het lek
sijpelt er onverstoorbaar uit een bundel essays

op het raam druppelt mooi weer
de gordijnen dik doende zich te

verzwijgen

weg in eigen zolder
fluistert een dun fraai glanzend anthologietje

de op het vel
getekende mieren

ze woelen

lessen in lyriek
zwijmelt W. Bronzwaer naast een boek over Hitler

 

 

 .10

water past overal in 

al wil vader nooit naar het strand

omdat ie dan zijn sokken uit moet doen
zijn haren ongekamd gaan als Sirenen
in een koekenpan met glazen deksel
waarin een gaatje voor het ontsnappen

van hete lucht

moeder achter haar meubelscherm daar
geen weet in wil hebben naast hun vijver

zonder vissen en flansend wier
weggeknipt om altijd theewater

want water past

zoals in fijn klavertjes vier smijten over
waartoe vader stuitert waarvan moeder
haar haren stijf aan de vaatdoek houdt

zo

dat

ze er de dagen mee vullen
het huis in gestuwde vlaag
aan ijle struiswolken hangen

tussen haakjes

vrij inclusief ook

raak ik getrouwd met Anna

 

.11

vogels op blote hoogte met veren rondom
kennen de slagen van soms een bekje spuug
maar ook geen spatje aan de hemel vooral 

pepermuntje op de tong
een veilig aan de grond 

op een groen groen groen groen knollen
knollenland al hun vleugels heel parmant 

vanwege zaakjes 

op leven naar danige dagen geil
en ook niet uit elkaar want
waar geloofd wordt zwellen wanen 

zonder doodgelakte appels 

plus afstandsbediening
op weggelaten dromen 

en ook zo af en toe de cursor
op de keel hup een-twee-drie

en soms zelfs vier

bij vijven en zessen
loopt men aan men op conversatie 

de veren rondom

geen spatje aan de hemel vooral

Werner Spaland

Romanke .5 / .8

 .5

bomen in de straat staan zich
blakend groen te klauwen bij
veel uitzicht vanaf het balkon

zijn hobby

de stekelbaars houdt niet op
te bestaan zo’n zestien keer
per maand drijft ze zich aan
het aanwezige water dood al
wil haar lijkje nooit gevonden

of met stokrechte woorden
en tegen alle versregels in:

er graast wat klots aan het lijf

een gerommel dat de avonturen
uit het groen pijnlijk tekort doet

terug! naar de blomme regels

de ramen in de gevels blinken
alsof ze hem tot leven sporen

een heimelijk bochelen van
gordijnen achter glasruggen

hij: fuck de mythe

en droogt de stekelbaars aan
de overlopende tekst van zijn
ware lijf waarin meiden beslist

maar nagel zwemt de maan
tegen het logge nachtlaken

moeder houdt z’n ijzers in het vuur
de omvang niet te pruimen maar
bij de patatzaak weten ze wel raad

stellen: suck de poëzie in moeders

op het platteland valt van het dak
van een hoeve geen volvette mus
de buurtinspectie rept in op duister

zoveel poëzie

in patat

met mayonaise

de stekelbaars alweer dood doft
zich op voor een volgende ronde

 

.6

op het moment dat de zwetende man
er de verjaardagstaart op wilde zetten
ondertussen stroef mompelend dat er

weer

een fikse stap dichter gezet was naar
(al was hij pas zesenveertig en zijn dus
strandlieve vrouw argwelig veel jonger)

brak de tafel in tweeën.

op de eeuwigheid is zelfs negentig jaar
helemaal niks zo placht hij te zeggen
op verjaardagsfeesten of anderszinse
bijeenkomsten waar je vrolijk mag zijn.

alzo sneuvelde met de tafel de taart.
‘t gegodver ging verloren in de breuk.

en of de feestzin nog ‘s extra niet wilde
swingen werd er buitenshuis een kind
aangereden door een auto die dan wel
geen milimeter te hard reed maar wel
loepzuiver ingleed op het stukje mens.

de taartdrab bij elkaar in warme vorm
geschoven en stevig aangestampt tot
men het kind wegnam in een lijkwagen.

ergens gleed er gruis uit een braadpan
maar dat had niet per se iets te maken
met het verlies van de verjaardagstaart.

het feest vond volle doorgang in ‘t ware
besef dat 1 dode zwaluw weliswaar een
strontje op de lente zet maar geen lied
kan blussen op de blij komende zomer.

net aan de warmte zag men stuitende
ballonnen in de lucht men moest weer
denken aan de verjaardagstaart van de
zwetende man waarvan de oplaters dus
heus ook fiks een brok hadden gegeten.

nog later

maar geheel volgens de seizoenswissel
brak de winter in alle hevigheid aan en
men vond dat er veel was beleefd in de
stad. De vijvers vroren ervan dicht maar
de vissen wisten behendig te overleven.

 

.7

en dan historie herhaalt zich
niet moeilijk is het om je te
tot op de overkant te dragen

aldus de dragers van klare kleding
veelal behoorlijk leb van alle drang

anders dan tussen behang aan krappe muren
waar thuiskijkers achter gefronste lippen alles
ja alles willen vertellen / op verhaal wel (gordijnen toe)

dat ze heus willen gaan als een Icarus
in gaaf! gekeerde richting want pc’s ja
die kan je resetten en ook mooi laten
zoeken naar het zomers gewekte gras

maar altijd is er dan wel een buurman

die stuurs kijkt

over het hek

in hun visvijver zijn vrouw en de maan is rap
vol op weg naar whiter shade of alle álle pale

waarom glimmen in een auto
waarom die oogachterlijke bril
waarom vlies zijn in alom wak

zo stelt de buurman

en steekt zijn tuin in brand

de volgende dag gaat in de krant gewag gemaakt
van een vrouw met gele lelies in haar handen en een hek
dat gespaard bleef al bezeerde een man zich eraan

het heelal doet hier natuurlijk weer niks mee

en ook al die muren die Jezus eeuwig maar zo laten hangen

niet veel later (er vloog een doorkijkje over
en de windmolens deden in zee hun gang)
doezelde de krant in de gekuiste kattenbak

 

.8

zo kijk je het gras uit tuinen van sporters
zo kijk je wapenblauw op de lucht
of laat je wat koeien hun uiers ontploffen

je probeert eens wat

je slaakt een boek open
je bakt een haantje
je geniet je huurtoeslag

een kasteel dat nog niet op instorten staat
pulkt aan eigen fundament om een knap afscheid
in de gangen heerst dat wat gangen tot gang maakt
en buiten kijkt een meisje op naar de trans
waaraan een witte zakdoek fladdert
die probeert het gebouw vlot te trekken bedenkt ze

ook zij probeert eens wat

want de schepping geen slecht idee

in de buik van de walvis waar Jonas ook al zo huisde is
het een bende van jewelste maar het spugen blijft uit
het beest zwemt gewoon door zoals het voorwaar hoort

het geeft toch te denken

zoenendebelofteinboedel en geen uitvaart
als euthanasie nog moet volgen probeer je
niet uit overtuiging maar meer uit gewoonte

zoals er altijd wel koeien in weilanden staan
zoals er nur wat letters als je nooit echt leest

je probeert eens wat

stenen / platte stenen

de rivier ketst ze in een heg rond een speelplaats

Werner Spaland

Romanke .1 / .4

 
.1

Het begon pas echt nadat ik met een hamer
de pootjes van de kat aan gort had geslagen.
Tot dan toe had het geen enkele kans gehad.
Mijn leven.

Dus liet ik de kop van de hamer na de daad
omsmeden tot een brede band. Om de pols
te dragen. Mijn pols.

Drie dagen na het smeden zat ik in het gevang.
Al heeft dit geen enkel belang voor mijn leven.
Een weekje later werd ik weer vrijgelaten. Men
had zich nogal vergist.

Uit het gevang wilde ik diep.

Eens danig onder de zeespiegel rondsprokkelen
leek me het juiste begin daartoe. Groots en vrij
zogezegd. Twee drie decimeter. Dieper kwam ik
niet. En dat vrije bleef dus ontstellend weg met
zo’n luchtcilinder op je rug. De vissen ook dull.

Dan maar even een straat beleven met een iele
auto. Rood met witte stippen. Maar spillebenen
had ik al uit het water in de lucht zo leek mij de
logische volgorde.

Ik bouwde een vliegtuig.

Omdat er geen rem op zat werd ook dat niks
volgens de verkeersleiders. Ze wezen naar
beneden. Daar hing een fiets op slot tegen
de flank van een onaardig versleten paard.

Een oude man aaide de fiets.
Liet het paard ongemoeid.

Het paard kreunde de fiets van zich af. De
oude man liep door want een ha meisje in
minirok keek alsof ze beslist!! niet geaaid
wilde worden. De stof gaf haar hele heup-
lijf voldoende ruimte.

Later dronk ze thee.
Met uitzicht op opa.

Beetje hongerig stap je van zoiets een patat-
zaak binnen en biedt op een hele koe. Dat
wilde ik. Alleen een koe in stukjes was er.
Broodje kroket dan maar. We kunnen er wel
een bestellen. Dat hoefde voor mij niet. Een
meisje had ik ook nog niet gehad zo zonder
echt begin. Aldus verdronk er in het kanaal
een vis. Het dier was niet geleerd hoe kieuwen
werken. De burgemeester (ook van het kanaal)
sprak de hoop uit dat dit niet heel veel vaker
ging gebeuren Jezus had al ‘s iets met vissen
uitgehaald.

Terug naar moeder. Geen optie. Ik zag haar
al staan met die manke kat in haar handen.

Achter het enorme burau stond een lege stoel.

De secretaresse en de stoelzitter waren gaan
lunchen. De telefoon rinkelde niet en op straat
speelde een mier met de schone gedachte een
klinkklare hoop te ontwerpen. Van tussen de
naden om de tegels verzamelde het dier gelikte
korrels zand.

In de fabriek maakten ze lepeltjes.

Er moest toch wat.

Toen ik mijn huis niet meer uit kon vanwege
de lepeltjes volgde ontslag want het gevang
had ik al gehad. De lucht kreeg een eigenaar-
dige gele kleur. Net of van Gogh tegen een
onnoemelijke hoge ladder op was geklommen

In een kamer renden twee mensen om een
modelspoorbaan. Ruzie of gewoon wat geil.
De bakker stond al zijn hemden te verkopen.

Van brood en meer bakspul dus veel sprake.

De buurt wilde even geen vis meer.
En ik ving mijn huis te verven aan.

Zonder de lepeltjes was er weer ruimte. Het
huis brandde niet af. Zonk wel wat weg in de
aarde. Het geverfde was geheel en al voor
niets dus kwam ik vader tegen. Hij was ermee
verlegen. Moeder is dood maar nog altijd niet
bereid je te vergeven en zullen we het dak nu
repareren. Maar ik had net mijn huis geverfd.

 

 .2

aardappels op een schaaltje
het was nog te doen alsof er
vreugde in te veel gezin kon.

de lijn op de gang waar jezus
met spijkers in al zijn zakken
gedurig overheen sprong zon
der lage veulens en gepelde
noten voor lekker tussendoor.

op straat weelden klavertjes 4
het zoeken mocht niet blaken
anders pikte een ander ze in.

of een mooie pinksterdag graag
samen in het zonnetje stralen
maar de melkman kwam langs.

veel sterfgevallen oftewel lately
woelen dishwashers noodnodig
de kruin op tot ketelmuziek zo
zei de melkman aan de koffie

een zwembad vol mensen deed
iets na al wist hij van geen idee.

op de nok van een vork zat grof
een aapje wat zult uit te smeren
naar een reeks zingende zaken.

bij de aardappels wilde vandaag
jus! in een heel mooi kommetje
het vlees bleek ook al gesneden
het gezin ging in een goede bui.

een andere dag in oktober regen
zelfs jezus vergat lijn en spijkers
maar november heus weer okay.

 

.3

(galm van doodsklokken in zonlicht)

we stopten voor een winkelcentrum
of men het ons voor de neus schoof
plots en zonder dat we vroeg waren
opgestaan maar moeder ontmoette
zo haar eerste jeugdliefde

tachtig en gek genoeg
wist ze het nog tot in detail.

werkelijk een secuur verhaal
dus met z’n allen naar binnen.  

op de kledingafdeling moest ze jurken
op de meubelafdeling moest ze stoelen
op de verpleegafdeling vastgebonden
kwam ze tot een set pillen en tot rust.

ook zonder moeder de wereld vol God
dus het winkelcentrum schade betalen
een auto zou er zomaar voor gekocht
maar een droger was haar toch liever
heus dat wisten we nog van toen thuis
en vader maar knikken op zijn buidel
gezeten als de koning zonder kleding.

naast een bankje waarop niemand
de kinderen nee ma niet naar oma

(kan iemand die bellen wat afzetten)

ons moeder viste het slipje in haar tas
onhandige avances maar hij was heel
geweldig dat nog vertelde ze dus erg
nipt voor al die pillen moesten geslikt.

 

.4

onder de deurmat wonen
veel spinnen. vader spin is
al eens buitengezet. netjes.

vader spin zag verdwaasd
toen om zich heen leerde
van warrige schreden drab.

rap na de uitzet wandelde
vader spin terug naar de
rand van de mat waar hij
zich lang al te wonen wist.

op de straat deden mensen
mensen. gevoelig als waren
ze nogal voor alles mogelijk.

ergens in veel tuin speelde
een hardhouten staaf voor
tuinkabouter als hoofd van
een gave ti ta straaldevisie.

voor haar computer zat een
vrouw een gedicht te lezen,
bedacht na de schermtuur
als existentiële bergdalen
naar de wolken vallen dan
zal mijn sterrenstelsel wel
triljoenen wensen opdoen.

tegen de gevel van haar huis
stond een fiets prettig met
een lekke band er ging niet
gegaan naar al overkomen.

de staaf van de straaldivisie
liet een wondernagel op stel
aanbrengen opdat het hoofd
kon blijven tot aan de dood.

in ‘t zicht van een ijsfabriek
sprak haar bouwvakker een
steen aan met de woorden
mijn leven jij harde donder.

de mat is nooit meer geklopt

vader spin was vol tevreden
liet familie uit het naburige
huis overkomen tot feesten.

ook de tuin deed weer mee.

Werner Spaland